Op zoek naar het verloren geluk
Onderstaande columns zijn geschreven door Sarah Morton. Haar website is hier te vinden.
Alice in trollenland
Als ik ergens een boek van zou willen schrijven, is het wel Pan’s Labyrinth. Dan moet ik wel de titel veranderen, om het auteursrecht niet te schenden. ; )
In ieder geval zou ik het Alice in trollenland dopen. Wie het verhaal kent, snapt meteen waarom.
In een notendop: De twaalfjarige Ofelia, verhuist op de vooravond van de oorlog met haar hoogzwangere moeder naar het landhuis van haar ‘nieuwe vader’, de wrede en ziekelijk narcistische kapitein Vidal, die geroutineerd zijn tegenstanders, anarchisten, martelt.
Ofelia’s echte vader is dood.
Ofelia verafschuwt dat wereldje. Ze heeft vele escapes. Ze vlucht de bossen in en verdwijnt in haar eigen werkelijkheid. Ze zit steeds met haar neus in de fantasieboeken. Ze zondert zich af en is dromerig.
Haar stiefvader vindt dat die onzin afgeleerd moet worden, dat ze te oud is voor sprookjes, en haar moeder gaat daar in mee.
De ongehoorzame, onverschrokken Ofelia - haar naam is een verwijzing naar de tot waanzin gedreven geliefde van Hamlet - ontmoet een Faun, die in haar een onsterfelijke prinses uit de onderwereld ziet. Zij moet drie gevaarlijke opdrachten uitvoeren om te bewijzen dat ze niet sterfelijk is geworden, voordat ze terug kan keren naar haar ware thuis.
Ofelia krijgt een mooie jurk aan voor een diner van de kapitein en zijn sympathisanten, waar zij en haar moeder ook verwacht worden.
Dan krijgt ze haar eerste opdracht. Daarvoor moet ze in een holle boom zijn, terwijl het buiten zeikt van de regen. Ze slaagt in haar taak, alleen haar jurk is geruïneerd.
Als ze terug is, doet haar moeder haar in bad en spreekt haar streng toe. “Ik ben heel teleurgesteld en je vader ook”.
“De kapitein?” begrijpt Ofelia.
“Ja, hij nog het meest”.
Ofelia glimlacht.
Met haar moeder heeft ze op zich een goede band, als de kapitein daar niet tussenkomt. Ofelia is aanhankelijk naar haar toe.
Als moeder hevig gaat bloeden van onderen, is Ofelia in paniek.
De Faun komt opnieuw in beeld, Ofelia krijgt de opdracht haar moeder te redden. De vrouw heeft hoge koorts en de dokter kan haar niet beter maken. Moeder krijgt bedrust voorgeschreven.
Ofelia moet een magische wortel in een kom melk onder haar moeders bed plaatsen, en het voeden met een paar druppels bloed per dag. De koorts zakt, moeder lijkt op te knappen.
Totdat stiefvader Ofelia betrapt en haar onder het bed vandaan trekt. Hij vraagt agressief: “Wat doe jij daaronder?” Hij schuift haar terzijde en vindt de kom melk met de wortel. “Wat is dit?” Hij ruikt eraan en laat zijn walging duidelijk blijken. Hij is er snel uit, het zijn weer die sprookjes.
Ofelia gilt, strekt haar armen uit en smeekt. Haar moeder schrikt wakker. Vidal geeft haar de schuld voor het gedrag van Ofelia: “Dat komt door die onzin die je haar laat lezen, en dit is het resultaat”. Hij houdt de wortel voor haar gezicht. Moeder smeekt Vidal Ofelia te laten gaan, zij zal wel met haar praten. “Goed. Zoals je wilt”, zegt hij en loopt weg.
Ofelia smeekt haar moeder om haar weg te halen van deze plek. Moeder legt uit dat sprookjes niet echt zijn en dringt aan dat het moet veranderen. Ze gooit ter demonstratie de wortel in het vuur. Ofelia gilt het uit. “Ofelia!” smeekt moeder, radeloos door het gedrag van haar dochter.
Moeder sterft in het kraambed, heeft eigenlijk zelfmoord gepleegd. Daar zit een mooie symboliek in.
Met mijn vader had ik een hechte band, ik kon overal met hem over praten. Hij kreeg een vriendin die tussen mij en hem kwam. Zij overtuigde hem dat hij niet zoveel mee moest gaan in mijn belevingswereld, anders zou hij ongewenst gedrag belonen.
Langzaamaan werd het vertrouwen steeds minder, hij werd afwijzender, veroordeelde me steeds meer. Dan praatte hij zijn vriendin letterlijk na.
Dood ging hij niet, maar leven kun je het niet noemen. Alles ging op de automatische piloot. Hij leek afgesplitst van zijn echte gevoel, was vertwijfeld over mijn ontwikkeling, werd depressief, zoals dat heet.
Inmiddels is het weer als vanouds tussen ons, hebben we weer diepgaande gesprekken en heeft hij weer vertrouwen in mij.
Ofelia is vernietigd nu haar moeder is weggevallen. Ze staat er nog meer alleen voor.
Het speelt zich af in 1944, een tijd waarin kinderen niets in te brengen hadden, de wil van het kind moest worden gebroken. Maar worden zulke kinderen in het hier en nu altijd goed begeleid en begrepen? Wat daar fantasie heet, heet hier een waanbeeld of psychose. Allebei kan het een uitvlucht zijn uit de realiteit die iemand niet kan verdragen of verwerken.
Ook als je bijna niet slaapt, kun je na een paar dagen al doordraaien. “In oorlogssituaties wordt graag gebruik gemaakt van slaaponthouding, om een gevangene “kneedbaar” te maken. Na verloop van tijd zal de gevangene geheel gedesoriënteerd raken, angstig worden, en een zenuwinzinking krijgen. Tenslotte leidt langdurige slapeloosheid tot de dood”. Bron: Argusoog
Een kind kan om minder uit het vertrouwde gezin worden weggerukt en verplaatst naar een psychiatrische afdeling.
Ook verzet (een gezonde reactie op geweld en geestelijke verminking!!) zien ze daar als symptomen of gebrek aan ziekte-inzicht.
Ze kunnen je bijvoorbeeld in de isoleercel gooien als je je medicijnen weigert (lees: niet gedrogeerd en vergiftigd wil worden.). Volgens de wet mag separeren alleen bij gevaar, maar het gebeurt ook als kinderen lastig zijn. http://www.nrc.nl/binnenland/article2152328.ece/Honderden_kinderen_jaarlijks_de_separeercel_in
De psychiatrie kan iemand die in de war is (wat misschien opgelost had kunnen worden door goed naar iemands leefomstandigheden te kijken en de problemen te lijf te gaan?) zodanig in het nauw drijven dat de omgeving inderdaad denkt: die hoort in een gesticht thuis, die kan nergens anders heen. Zo iemand ziet vaak geen andere uitweg dan uit het leven stappen, of zich verliezen in een wereld die wij niet zien (psychose) en zo chronisch ziek wordt.
Een vriend, Wolf, van ongeveer mijn leeftijd had de eerste jaren van zijn leven een gewone jeugd. Hij had een goede band met zijn ouders, ze hadden geduld met hem, lieten hem in zijn waarde.
Met acht jaar kwam hij op een andere school, waar het mis ging. De leerkrachten hadden problemen met hem, leken iets tegen hem te hebben. Klasgenootjes leken juist met hem mee te leven.
Wolf was heel gevoelig voor zijn omgeving, raakte in de war, was de weg kwijt. Stichting Mindcontrol kwam in beeld, die hem psychotisch labelde en zijn ouders ervan overtuigde dat hij behandeling nodig heeft. Zijn ouders verloren het geloof in hun zoon.
Als tienjarig jongetje is Wolf opgesloten in een observatiekliniek, waar ze proeven op kinderen deden. Kinderen zaten onder de medicatie, moesten plassen in een emmertje, bloed laten prikken. Keer, op keer, op keer.
Velen gilden bij een onderzoek of behandeling. Ze werden vast gebonden als ze moesten stoppen met wat het personeel noemde: "Doe niet zo moeilijk, klein misbaksel". Kinderen gingen uitdijen, om de niet te metaboliseren chemische middelen, nog 'veilig' in het vetweefsel te houden. Lukte dit niet langer, gingen ze dood.
Je werd steeds in de gaten gehouden. Er hing een microfoon in de slaapkamers van de kinderen. Wolf mocht alleen in de weekenden naar huis. Hij was dan altijd gesloopt, maar kon niet goed overbrengen hoe het daar was.
Onder dergelijke omstandigheden hadden kinderen steeds minder afweer. Zo nu en dan sneuvelde er een kind en dat vonden de ‘profs’ prima. Wolf wilde op het laatst niet eens meer leven, dacht alleen nog aan de dood. Alles was inktzwart. Hij zat in waanzin en was helemaal op. De laatste weken was hij grieperig en lag op bed. Het personeel was niet echt bezorgd, liet hem aan zijn lot over, hoewel er al kinderen waren bezweken aan een griepje.
Toen lieten zijn ouders hem thuiskomen, die goed voor hem zorgden. Zijn griep ging over, hij begon weer te leven.
Wolf heeft twee jaar in een kliniek gezeten. Er zijn ook cliënten die er zes jaar hebben gezeten. Hoe kon een misdadige mensenrechtenverkrachtende organisatie ongestoord haar gang gaan en de ouders hierin akkoord laten gaan?
Met diagnoses en prognoses zorgt de instelling dat je er alleen voor staat en jarenlang van de zorg afhankelijk bent. De omgeving gaat je zien als ziek, gaat op een afstandelijke manier naar je kijken. Protest en hoe je het zelf ziet, heet dan gebrek aan ziekte-inzicht of geen inzicht in problemen. Met codetaal als ‘wilsonbekwaam’ legitimeren behandelaars het opsluiten, martelen, gebruiken voor proeven en het beroven van vrijheid van meningsuiting en bewegingsvrijheid.
Wolf woont nu nota bene begeleid onder dezelfde organisatie! Wat niet door hem, maar voor hem is gekozen. Hij noemt zichzelf: ‘De wolf in de verkeerde wereld’. Nog een boek dat ik met liefde zou willen schrijven.
De derde wereldoorlog, de oorlog tegen de psyche, is in volle gang.
Kinderen hebben waardering nodig om wie ze zijn. Een luisterend oor. Iemand die eens goed naar de situatie kijkt en naar wat het kind nodig heeft.
Er zijn hulpverleners die met hun hart werken en echt om kinderen geven. Die de situatie leefbaarder maken.
Blijf hoe dan ook zelf nadenken en achter je kind staan. Een kind met problemen, hoe groot ook, verdient net zo veel respect als ieder ander.
“Alle personen uit dit verhaal zijn fictief. Iedere gelijkenis met een bestaand iemand of situatie, berust op toeval”.
Ik zou willen dat het waar is. Alles heb ik echt gezien. Alleen de namen heb ik veranderd.
Ik was twaalf jaar. Het was mijn eerste jaar op het speciale onderwijs.
Je had veel geluk als de leraar je duldde. Als je tegen een leerkracht in ging, kon je een klap of een schop krijgen. Of je werd wild door elkaar geschud of naar de gang gesleept.
Ivo was een jongen die graag stoer deed en opschepte. Hij zocht nog wel eens ruzie. Toch zag ik ook zijn mooie kanten. Zo kwam hij me bevrijden toen een klasgenote die een hekel aan me had, me op de grond wilde leggen. Hij had gevoel voor rechtvaardigheid. Op het Jeugdjournaal was te zien hoe twee mannen om niets iemand in elkaar sloegen en hij noemde de daders ‘klootzakken’. Ook moest ik vaak lachen om opmerkingen van hem, hij had zeker humor.
De leraar vond niet dat Ivo goede kanten had. Ivo zat uren per week op de gang.
Misschien denk je dat ik overdrijf, maar als ik zeg uren, bedoel ik uren.
Zo bracht hij een hele woensdagochtend door op de gang. De dag daarvoor had hij ook al straf en had ook nog het lef om weg te lopen. Als hij één keer per week op de gang zat, was het weinig. Viel het onder de pauze, mocht Ivo zijn eten niet hebben.
De leraar zei nooit iets aardigs tegen Ivo. Toen Ivo een mooi rapport had, begon de leraar over het gedrag van de jongen.
De aanleiding? Soms was Ivo aan het dollen. Soms had hij ruzie met klasgenoten en kreeg dan als enige straf, al had hij niet meer misdaan dan de anderen. Of hij ging tegen een leraar in. Hij zuchtte na een Kerstmaal of Paasmaal toen hij moest helpen afwassen. De leraar stuurde hem van tafel. Nadat Ivo met een rood hoofd ergens apart zat, sleepte de leraar hem weg. Ivo huilde en weeklaagde.
Soms wist ik niet eens wat de aanleiding was. Een dieptepunt was dat de leraar tegen iemand anders zei: “Ga jij maar naar de gang”. Hij noemde geen naam. Ivo vroeg verbaasd: “Ik?”
“Ja, ga jij ook maar”, besloot de leraar toen. Het was geen grapje. “Hij zei alleen maar ik”, riep een meisje verontwaardigd. “Wil jij je niet met mijn zaken bemoeien?” zei de leraar met een nare autoritaire stem. Zijn zaken? Het gebeurde voor onze ogen.
Nooit was de leraar in een toegefelijke bui, nooit deed hij aardig tegen Ivo.
Ivo werd alleen maar opstandiger en bozer. Hij reageerde vaak zenuwachtig en achterdochtig. Als het weer raak was, protesteerde hij, soms boos, soms huilend en jammerend. Proberen in discussie te gaan, moedigde de leraar vooral aan. Hoe moet Ivo zich van binnen hebben gevoeld?
Tegen het einde van het schooljaar escaleerde het. Tenminste, ik denk dat het komt door de opeenstapeling van onrecht, frustratie en machteloosheid.
Tijdens de pauze, op de speelplaats, had Ivo mot met een jongen, tegen wie hij niet opkon. Een klasgenoot begon te grinniken. Ivo waarschuwde zijn klasgenoot op zijn gebruikelijke macho manier. Er was niets opvallends aan, tot hij zich op de jongen stortte. Ze rolden over de grond en gingen elkaar te lijf. Net twee vechtende straatkatten. Een juffrouw greep in. Ze gebood Ivo dringend maar beheerst: “Laat hem los”. Dat deed hij. Nu wordt het wel opgelost, dacht ik. Zelfs ik vond dat Ivo straf verdiende. De andere jongen huilde van schrik en er was wat bloed te zien.
Een leraar kwam aanlopen. Niet mijn eigen leraar, maar van de hoogste groep. Wat er toen gebeurde… Zelfs na alle scènes op school, was ik verlamd van ontzetting.
Die leraar greep Ivo bij de keel en tilde hem tegen de muur. Ivo’s voeten hingen boven de grond. Het was des te traumatischer om te zien, omdat een oud-klasgenoot uit mijn basisschooltijd zich heeft opgehangen.
Ivo huilde, zijn gezicht was dieprood. Daarna sleepte de leraar hem naar binnen.
Toen ik zelf naar binnen moest, zat Ivo in het handarbeidlokaal. Een leraar zei hem niet te bewegen.
Aan mijn tafel was ik helemaal overstuur. Op geen enkele manier kon ik het uiten. Ik had geen recht van spreken. Ik durfde het ook niet aan mijn ouders te vertellen. Wie zou dit geloven? Het was zoveel te erg dat ik het verdrongen heb, maar soms komt het weer naar boven.
Mijn leraar had door het gevecht weer een aanleiding om een hekel aan Ivo te hebben. Wat hij zei over wat zijn collega deed: “Als je bij je moeder en vader gaat klagen: De meester deed dit bij mij, dan ben je wel héél kinderachtig”. (De leraar beeldde redelijk uit wat zijn collega deed bij Ivo.)
Ik begreep toen dat medegevoel en rechtvaardigheid voor die school niet bestond.
Sarah Morton.
Haar website DUS! is: hier
Emotiepolitie
“Droog je tranen, zo erg is het niet!”
“Afgelopen nu met dat gehuil!”
Komen die uitspraken je bekend voor?
Nog steeds is het de tendens dat kinderen hun mond moeten houden, het liefst vanaf de geboorte. De opvoeders weten precies wanneer er ‘een reden is om te huilen’ en wanneer het is ‘aanstelleritis’ is. Wat zijn dat voor mensen die het gevoelsleven van kinderen veroordelen en willen modelleren naar hun idealen of wat hen net uitkomt?
Kinderen worden gedwongen hun overvloed aan emoties naar binnen te drukken, waardoor er een opslag ontstaat. Zo raak je gepantserd van binnen, of je bent als een tijdbom. Frustraties, woede en verdriet stapelen zich op, sluiten je af voor andere gevoelens. Je raakt verstard.
Ook een fopspeen of snoepje geven is een manier om het huilen te smoren. Voor het kind prettiger dan streng optreden, maar evengoed onderdrukking van het echte gevoel. Als de onverwerkte pijn er een keer uitkomt, is dit in veel extremere vorm; geweld, depressie, uitbarstingen van woede, fobieën. Hysterische huilbuien die zelfs volgens de breedste definities niet in verhouding zijn met de aanleiding. Het is niet meer en minder dan ‘de druppel die de emmer doet overlopen’.
Die psychische problemen kunnen ook komen door het in de steek gelaten zijn op zich. Het niet mogen uiten van emoties geeft het kind nog een extra druk, zeker als het kind door toedoen van de verzorgers overstuur is. Een baby in een buggy die huilt in een poging aandacht te trekken. Een moeder die geïrriteerd zegt: “Doe normaal”. Kom aan, huilen IS normaal gedrag voor een baby die niet kan praten en niet voor zichzelf kan zorgen! Kleine kinderen kunnen nog niet onder woorden brengen hoe ze zich voelen. En als ze dat al kunnen, roept dat vaak een snauw of nog meer woede op.
“Ik heb au aan mijn been”, jammert een meisje van twee of drie jaar.
“Ik kan er nu niets aan doen, ja!” roept de moeder zelf over de toeren. Ze loopt hard door, haar kleintje kan haar niet bijhouden.
Als ouders uit hun dak gaan tegen hun kind, maar wel boos worden als het kind overstuur is (vaak door hun eigen toedoen) geven ze het kind een heel dubbele moraal mee. Ze verlangen een zelfbeheersing van het kind, die ze zelf als volwassene niet eens opbrengen. Het kind krijgt vaak de schuld van de uitbarsting; die is lastig. Sommige kinderen krijgen zelfs klappen omdat ze huilen of driftig zijn, of worden door elkaar gerammeld.
Sommige ouders hebben pret als hun kind pijn heeft of overstuur is. Een meisje van een jaar of zeven die een gat in haar knie valt (niet groot, maar toch.) Zij huilt erbarmelijk. Eerst wordt ze geknuffeld, lijkt het alsof ze goed getroost wordt. Dan is het ineens: “Droog je tranen, het is nu over”. Het meisje gaat alleen nog harder huilen, omdat de situatie nog stressvoller is. Haar ouders verdringen zich om er grappen over te maken. “Kom op, je been ligt er niet af!” en meer in die trant. “Pleistertijd!” huilt het kind. Die pleister kan ze vergeten. “Dan kunnen we morgen ook niet… want je hebt immers een gewond been!” roept een van de ouders uit. Ze hadden het over iets leuks dat ze zouden gaan doen. “Jij bent lief”, zeggen de ouders tegen hun andere dochter, die geen zeer been heeft.
Nog erger is als opvoeders een structurele situatie niet serieus nemen, als pesten op school of een conflict met een leerkracht. “Het komt goed, trek je er niets van aan”. Met instemming van volwassenen (lijkt het) wordt het kind het leven zuur gemaakt. Zij kijken de andere kant uit en het kind krijgt de schuld als z’n gedrag slechter gaat worden.
Vaak is het argument dat je kind verwend raakt of een watje wordt als je het troost. Dat klopt misschien als je het overdrijft. Stel: Je kind heeft ruzie gehad met een vriendje en jij reageert vanuit je eigen emoties, noemt het vriendje een ‘rotjoch’ en zegt “Ach lieverd, kom maar hoor” terwijl je kind alleen zijn verhaal kwijt wil. Je kind gaat zo geloven dat het voorval nog veel erger is dan hij zelf ervaart.
Waar gaat het eigenlijk om? De behoeften en gevoelens van het kind, zou je zeggen. Help het kind het onder woorden te brengen en het op een acceptabele manier te uiten. En ga daarna pas, als dat mogelijk is, kijken naar een oplossing.
Boosheid, verdriet en angst moet het kind kunnen tonen, maar gedrag als anderen uitschelden, schoppen, slaan en harentrekken, kun je beter verbieden. Als het kind genoeg bewegingsvrijheid krijgt; buiten kan spelen en zich binnen ook vrij mag bewegen, zal het overigens minder opgekropte agressie in zich hebben. Kinderen moeten kind kunnen zijn en hun energie kwijt kunnen. Agressie wordt waarschijnlijk ook nog eens veel minder als het kind zijn emoties de vrije loop mag laten. Zelfs als het kind huilt of boos is omdat het geen chocola mag, laat het in zijn waarde. Hij hoeft niet zijn zin te krijgen (beter van niet zelfs), maar ga geen machtstrijd aan door het huilen of boos zijn te verbieden. Sommige problemen te gecompliceerd om meteen op te lossen, omdat er vaak machtsspelletjes aan de orde zijn. Maar een echt luisterend oor zal sowieso al veel uitmaken voor het kind.
Sarah Morton.
Op zoek naar het verloren geluk.
Naar een natuurlijke manier van kinderverzorging.
“Als een moeder mij vraagt of ze haar baby op moet pakken als hij huilt, zeg ik dat ze hem nooit had moeten neerleggen”. Duidelijke taal van de auteur Jean Liedloff. Doordat zij een tijd in een Indianenstam in de jungle heeft doorgebracht, die nog in de oertijd leeft en waar ze nog onbekommerde levensvreugde kennen, heeft zij ontdekt wat kinderen van nature nodig hebben en hoe het komt dat de Westerse kinderen zoveel gedragsproblemen hebben.
In de stam; de Yequana’s komen huilbaby’s of opstandige kinderen nauwelijks voor. Jonge baby’s worden de hele dag gedragen en als zij er zelf aan toe zijn, gaan ze op onderzoek uit, maken zich geleidelijk los van de moeder. Als ze er behoefte aan hebben, kunnen ze altijd weer steun zoeken. Vanuit vertrouwen dat er altijd iemand voor ze is, durven ze steeds verder te gaan. De ouders claimen, zoals je in onze samenleving ziet, hebben ze niet nodig. Zelfstandigheid wordt in die stam niet geforceerd, het kind wordt niet in een situatie gedwongen die het niet aankan. Volwassenen laten het kind niet in de steek als het troost zoekt. Laten het niet alleen met angst of verdriet. Deze manier van omgaan met kinderen, creëert volgens de Westerse normen verwende, veeleisende kinderen.
Peuters binnen de stam hebben niet de neiging om weg te lopen, ze halen het niet in hun hoofd! Net als jonge dieren weten ze instinctief dat ze bij de groep moeten blijven. De ouders hoeven niet te waarschuwen. Als een kind het tempo niet bij kan houden, hoeft het alleen maar te roepen. Nu moet ik erbij zeggen dat in de Jungle ook geen verkeer voorbij raast.
De ouders zijn niet onzeker en hebben geen deskundig advies nodig. Al vanaf hun jongste jaren zijn ze betrokken bij de babyverzorging en nemen de houding van hun ouders vanzelf over. Het grootbrengen van kinderen gaat op een natuurlijke en relaxte manier. Mensen zorgen ook voor elkaars kinderen.
Volwassenen hebben de leiding, zonder te forceren. Het is ook niet zo dat kinderen daar de baas kunnen spelen. De volwassenen geven het voorbeeld. Kinderen leren naar hun eigen kunnen, door het af te kijken van degenen met meer ervaring. In natuurfilms zie je vaak hoe dieren spelenderwijs zich vaardigheden eigen maken en steeds sneller en preciezer worden. Er is geen dwangmatig schoolsysteem nodig. Van zichzelf leren en werken kinderen graag. Alles wijst erop dat het onze cultuur is die kinderen passief maakt. Een voorbeeld: Een kind krijgt een zware deur niet open. Wij zouden het kind meteen te hulp schieten of het aansporen een andere activiteit te zoeken en daarmee zeggen: Jij bent nog te klein hiervoor. De Yequana’s geven het kind de kans het zelf voor elkaar te krijgen en schieten het pas te hulp als het kind daar om vraagt.
Tegelijk verplicht onze cultuur kinderen iets aan te kunnen waar ze nog niet aan toe zijn. We laten een baby alleen, hoe hard het ook huilt. Een baby die zowel praktisch als psychisch helemaal afhankelijk is van anderen.
Of we verplichten een kind tot een prestatie en worden boos als een kind het niet kan of wil. Geen wonder dat kinderen een afkeer krijgen voor leren en werken. (Met werken bedoel ik in dit geval geen betaalde baan.)
De Yequanakinderen leren zoals jonge dieren leren. Ze proberen een meestergraad te halen, maar het doel is niet ‘beter zijn dan de anderen’. Het is een harmonieuze stam, concurrentie is er nauwelijks. Zowel de volwassenen als kinderen leren/werken met plezier. Zij zien dat niet als noodzakelijk kwaad, zoals dat hier vaak is.
De moeders hoeven met een baby niet te stoppen met werken of oppas te regelen, de baby is gewoon bij hen, in een draagdoek en neemt passief deel aan het dagelijks leven. Het voelt zich veilig en kan veel aan wat betreft bewegingen, prikkels en weersomstandigheden, omdat het in context is met hoe de natuur het heeft bedoeld. Het kind ondergaat alles vrij gelijkmoedig. Zowel de kinderen, volwassenen en ouderen voelen zich over het algemeen goed en compleet, omdat als kind hun behoeften vervuld zijn, meestal zelfs zonder erom te hoeven schreeuwen of huilen. Ook als volwassene blijven ze in harmonie leven.
In romanvorm lees je hoe een baby binnen een samenleving als de Yequana’s zich voelt. De geboorte ondergaat de baby gelijkmoedig, omdat zijn aangeboren systeem dit verwacht. Het is voor de baby weliswaar een overweldigende ervaring, in de wereld buiten de baarmoeder terecht te komen, maar er is niets abnormaals aan.
In deze levensfase kan de baby alles alleen nog maar ervaren, het kan nog niet denken, laat staan oordelen. Ook heeft de baby geen enkel besef van tijd. Dat is niet erg in de baarmoeder of tegen de moeder aan. De baby voelt zich gewoon in orde, compleet en veilig.
Het is daarentegen een marteling als de baby ergens is neergelegd. Het huilen is een mechanisme om iemand te laten komen, maar wanneer een reactie uitblijft, kan de baby niets doen om de spanning te verlichten. Zelfs al zou het op een of andere manier besef van tijd hebben, duurt een uur al een eeuwigheid. De geestelijke nood is heel dringend.
Een baby is er met de geboorte klaar voor om aan allerlei prikkels te worden blootgesteld; bedrijvigheid, stemmen en anderen geluiden (die nu niet meer gedempt klinken), de lucht, warmte en kou.
Onze natuur is deels in staat zich aan te passen aan omstandigheden. Zo kunnen vaders een moederfiguur zijn en andersom. Daar zijn we flexibel genoeg voor. Tegenwoordig is daar niets vreemds meer aan. Het zal een baby niet uitmaken of hij door zijn moeder of vader wordt gedragen en verzorgd. Een man kan alleen niet de borst geven.
Maar iedere jongen en meisje heeft de capaciteit voor een baby te zorgen. Het is de cultuur die ons deze talenten laat verleren, ons vervreemd van onze natuur, ons instinct de nek omdraait. Het is tegenwoordig heel normaal om een baby alleen op te pakken als het tijd is voor een voeding of verschoning, of wanneer het ons uitkomt. De protesten van de baby zien we als een poging om zijn zin door te drijven.
De periode vlak na de geboorte, geven een baby een belangrijke indruk van hoe de wereld in elkaar zit. Het is een absolute ervaring, omdat de baby nog geen eerdere indrukken heeft opgedaan buiten de baarmoeder. Hij is op deze overgang voorbereid, maar waar hij niet op voorbereid is zijn de kille lichamelijke onderzoeken (die uit routine en doorgaans zonder medische noodzaak worden uitgevoerd.)
De moeder-kind band kan worden doorgesneden als dit buiten het zicht van de moeder gebeurt. Dit kan al binnen een paar minuten. De biologie van een moeder rekent erop dat er een baby komt om haar zorgzame, tedere gevoelens op te richten. Alleen in het geval dat het kind doodgeboren is, blijft dit uit. Dan ontstaat er rouw en onthechting. Er is immers geen baby om te verzorgen.
Maar dit proces van onthechting ontstaat ook als het kind wordt weggehaald!
Tegen de tijd dat het kind weer tevoorschijn wordt getoverd, is de verbinding al verbroken. De moeder merkt dat ze weinig voor het kind voelt. Omdat zij niet beseft waar dit door komt, voelt zij zich schuldig, met als gevolg vaak de bekende postnatale depressie. Zowel bij de moeder als het kind is de hechting verstoord. Dit is moeilijk te herstellen.
Nog erger wordt het als de baby na het onderzoek op een babyzaal wordt gelegd, terwijl heel zijn wezen schreeuwt om lichaamscontact. De baby huilt gemarteld, maar niemand trekt zich er iets van aan. Emotioneel wordt de baby totaal aan zijn lot overgelaten en dit zijn de eerste ervaringen. Om zich heen hoort hij kreten van andere slachtoffers, maar dat zal weinig groepsgevoel geven.
Zijn overlevingskansen hangen af van de nabijheid van volwassenen. Hij huilt tot hij niet meer kan. Hij rolt zijn hoofd heen en weer, strekt zich, spartelt om de kwelling te verlichten.
Als hij dan eindelijk in de armen van zijn moeder is, voelt hij zich bijna helemaal in orde. De verbinding met haar en het leven is hersteld. Gulzig drinkt hij uit haar borst.
Maar ook bij zijn moeder thuis ligt hij het grootste deel van de tijd gesepareerd. Hij geeft het nog niet op. De moeder heeft echter geleerd dat als de baby gevoed en verschoond is en hij er goed bij ligt, er ‘niets’ aan de hand is. Ook hier is zijn leven troosteloos en ondraaglijk eenzaam. Een prikkelarme kamer is niet rustgevend. De natuur van de baby rekent op beweging, het groepsleven en veranderingen in de omgeving.
Als het kind zijn eerste lach toont, waant de moeder zich een trotse moeder van een blije baby. De baby zal die lach op zijn beurt inzetten in zijn wanhopige verlangen naar haar.
Ook op latere leeftijd blijven die gevoelens deel uitmaken van je werkelijkheid. Wat je meemaakt wordt dus echt een deel van je persoonlijkheid. Als je het contact met een ouderfiguur teveel hebt moeten missen, zul je je zelfs als volwassene incompleet voelen, onbehaaglijk. Je zult angsten en andere onprettige gevoelens hebben, zonder ze te kunnen plaatsen.
Wanneer je behoeften als kind onvoldoende zijn vervuld, zullen die behoeften blijven bestaan. In zekere zin zijn veel volwassenen nog baby’s die proberen op allerlei manieren hun behoeften te vervullen, die leegte te vullen. Die liefde, een kind of zelfs die auto moet ons gelukkig kunnen maken. Een relatie die verbroken wordt, voelt als het einde van de wereld. Een gezond opgegroeide baby zal als volwassene ook een klap te verwerken krijgen in die situatie, maar zal makkelijker weer betekenis vinden in het leven.
De commercie speelt handig in op ons verlangen ons compleet te voelen. “It’s the real thing!”
Je ‘high’ voelen, schijnt vergelijkbaar te zijn met hoe een zuigeling zich voelt in iemands armen.
We hebben een samenleving nodig waarin een kind zich op een natuurlijke manier kan ontwikkelen en waar we naar elkaar omkijken.
Op zoek naar het verloren geluk.
Jean Liedloff.
Sarah Morton.
Bijlage: opnames van hoe machinaal pasgeborenen in een ziekenhuis worden behandeld. De verplegers houden ze het liefst van zich af. De gemartelde kreten maken geen indruk, de verplegers werken en praten in rust door en lachen zelfs met elkaar. Ze hebben werkelijk geen begrip van de menselijke geest. Kijk, luister en huiver..!
Kraamafdeling: http://www.youtube.com/watch?v=vwZGDavtHuE
http://www.youtube.com/watch?v=gEu27CRrDT4
Geboorte: http://www.youtube.com/watch?v=BEFDn143D2E&feature=related
http://www.youtube.com/watch?v=g0T__unYyjI&feature=related
http://www.youtube.com/watch?v=ajXb7bGtF70&feature=related
Het is toevallig ontdekt.
Robert Zaslow observeerde ‘per ongeluk’ hoe in een inrichting het vasthouden werd toegepast door een groepsleider, die een onhandelbare puber zó lang in zijn armen bleef houden, tot de jongen, geheel gekalmeerd, bereid was mee te werken.
De techniek leek een verbazingwekkend effect te hebben op volwassenen en kinderen met autisme. De patiënt zou na afloop veel minder geblokkeerd zijn en kon nu contact leggen.
Later ging men de methode ook inzetten bij kinderen met hechtingsstoornissen, bij agressieve kinderen en bij kinderen met geboortetrauma’s.
Het idee is dat een kind zich na hevig verzet en na een aantal emotionele uitbarstingen, zich overgeeft aan de situatie en zachtheid en liefde toe kan laten. Het vasthouden duurt een paar minuten tot enkele uren(!).
Het kind kan niet weglopen, het kan uiteindelijk niets anders dan het contact toelaten. Als de afweer is gebroken, zou het kind niet meer bang zijn voor toenadering.
Weer een andere reden is dat kinderen tijdens hun gevecht hun opgekropte emoties en spanningen er ongeremd uit gooien. Nodeloos om te zeggen dat klem zitten ook stress kan oproepen. Toch melden ouders dat het kind na afloop vrolijker en opgeruimder is.
Bij de zachtaardige variant houdt de ouder, opvoeder of therapeut het kind tegen zich aan, vaak op schoot. Dat een therapeut dit doet, vind ik sowieso bizar. Als therapeut hoor je geen ouder-kindrelatie te willen hebben met je cliënt.
Het kind merkt dat worstelen en schreeuwen van protest niet helpt. Zijn grenzen en gevoelens worden genegeerd. Het leert dat ‘nee’ zeggen tegen ongewenste aanraking zinloos is en zal ook minder snel een pedofiel afwijzen.
Liefdevol contact tegen de wil van het kind, een prachtige paradox. Als iets ongewenst is, sluit het kind zich er emotioneel voor af. De ouder kan nog zo veel liefde voelen, maar het komt niet binnen bij het kind. Wel raakt het kind uitgeput. Uiteindelijk werkt vasthoudtherapie bij iedereen. Niet omdat je er rustig van wordt, maar omdat je de beproeving alleen kan beëindigen door je lichaam te ontspannen en oogcontact te maken. Je leert wat er van je verwacht wordt, dus je hebt de sleutel jezelf te bevrijden. Dat was dus de zachtaardige variant.
Bij sommige varianten gaat iemand bovenop het kind zitten of liggen of wordt het kind vastgebonden. Dit heeft opzeker niets met liefde te maken, dit is forse mishandeling.
Fors. Force = dwingen.
En wat als capituleren niet helpt?
Voorbeelden: Je bent zes jaar en bent geadopteerd. Door alles wat je hebt meegemaakt, durf je mensen niet te vertrouwen. Je bent met je adoptiemoeder in de kamer van de therapeut. “Weet je waarom je hier bent?” vraagt een vreemde. Je raakt in paniek. Ze zijn iets met je van plan. Iemand sleurt je weg bij de bank en werkt je samen met een andere therapeut tegen de grond. Je huilt van angst. Een wildvreemde mevrouw gaat bovenop je liggen. Je kunt je niet meer bewegen. Dat is les 1: Jouw gevoelens en grenzen tellen niet. Anderen, ook vreemden kunnen zomaar over je beschikken.
De mevrouw die bovenop je ligt, streelt je en roept. “Je denkt dat ik je pijn ga doen. Maar ik doe je geen pijn, ik zal je nooit pijn doen!” terwijl ze jou martelt met psychisch misbruik en ongewenste intimiteit. Dat is de volgende les: Jij bent de patiënt en zij de hulpverlener, dus zij weet wat goed voor je is. Zij kan zomaar je persoonlijke wereld binnen dringen en zeggen dat je gevoelens en gedachten niet kloppen. Je leert leugens te geloven. (Effectieve mindcontrol.)
Wat ze zegt en doet is te indringend om je ervoor af te sluiten, dus huil je. Dat moedigt haar nog meer aan. Je adoptiemoeder kijkt toe, doet niets om je te helpen. Is er een erger verraad denkbaar?
Of je bent twaalf jaar en vroeger was je seksueel misbruikt.
Je weet van te voren niet wat er gaat gebeuren. De therapeuten dragen je op te gaan liggen en je gehoorzaamt. Ze rollen je in een soort deken. Dan moet je gaan praten over die traumatische ervaringen, in een situatie waarin je weer hulpeloos bent. Het is meteen al heel pijnlijk. Als het te heftig wordt, raak je in paniek. Huilen, hysterisch gillen. Het misbruik komt weer boven. En het gebeurt opnieuw, in een andere tijd en omgeving en door andere mensen. Nu dringen ze niet binnen in je lichaam, maar je geest.
Hoe meer je over je toeren raakt, hoe gretiger zij worden. Hun gezichten vlak bij dat van jou. Als je gilt en probeert los te komen, spreken ze je bestraffend toe en houden je tegen de grond. Inmiddels begrijp je dat ze je niet met rust laten tot je alles gezegd hebt.
Het is algemeen bekend dat je door iemand (lang) genoeg te martelen, diegene alles kan laten ‘bekennen’ wat je maar wilt.
Een meisje van veertien jaar heeft zelfmoord gepleegd door toedoen van holdingtherapie.
Er zijn kinderen gestikt tijdens een sessie. In ieder geval zijn zij er heel rustig van geworden.
Er is een tegenbeweging ontstaan met de naam Kids Come First. http://www.kidscomefirst.info/
Kinderen met trauma’s en/of hechtingsstoornissen hebben een heel stabiele omgeving nodig. Als je je armen naar een kind uitstrekt en boos of wanhopig wordt als het je afweert, kom je behoeftig en labiel over. Veel opvoeders gaan kinderen mishandelen, na vele vergeefse pogingen tot een goede band. Sommigen proberen liefdevol contact te krijgen voor hun eigen behoeften. Vaak hebben ze zelf te weinig knuffels gehad en hebben ze het kind nodig.
Maar juist deze kinderen hebben een sterke opvoeder nodig. Iemand die liefde kan geven, zonder iets terug te vragen. Door zijn onzekerheid gaat het kind uittesten hoe stevig je in je schoenen staat. Hij toetst steeds of je nog van hem houdt.
Een kind in zijn waarde laten, liefdevol met hem omgaan maar relaxed reageren als hij toenadering afwijst, dat heeft zo’n kind denk ik het meest nodig. Ook kijken naar wat er wel goed gaat. Laten merken dat je het kind begrijpt en respecteert, zonder gedrag als schoppen, slaan en schelden goed te keuren. Het gaat te ver om hier uitgebreid in te gaan op regels. Het spreekt voor zich dat uit je dak gaan of het kind aanvallen, het vertrouwen nog verder beschadigt. Met rustig maar duidelijk je grenzen aangeven ben je een veiligere haven.
Vasthoudtherapie geeft veel resultaat op korte termijn, maar is een opgebouwd vertrouwen niet veel mooier dan als het kind toenadering zoekt om ‘straf’ te voorkomen?
Een verstoorde hechting kan talloze oorzaken hebben en er zijn genoeg kinderen die al zo beschadigd zijn dat ze professionele hulp nodig hebben. Alleen bij therapie is het toch de bedoeling dat iemand zelf toe is aan een confrontatie met zijn trauma’s? Een therapeut kan aanwijzingen geven, een spiegel voorhouden, maar iemand moet zelf klaar zijn problemen onder ogen te zien. Dat bereik je met geduld, oprechtheid en inlevingsvermogen.
Er zijn uitzonderingen waarin gedwongen vasthouden in orde is.
Bij gevaar, zoals wanneer een klein kind een drukke straat op wil rennen.
Of als een kind zo agressief is dat het anderen toetakelt of zichzelf verwondt. (Bescherming)
Met steeds respect voor wie hij is en wat hij voelt, zal de ervaring al veel positiever zijn. Citaat:
Een jongetje van 6 jaar had een driftbui bij zijn moeder in de (geparkeerde) auto en bangde zijn hoofd tegen de bodem. Zij zat er besluiteloos bij en ook ik. Toen kwam er een kennis aan; deze man nam het jongetje in zijn armen en hield hem vrij stevig vast (het kon zich nog wel bewegen). Hij sprak zachtjes met hem en wandelde naar de waterlijn van het strand. De man wees hem op de branding en vertelde hem hoe sterk hij (het jongetje) wel was: “net zo sterk als de golven”en liet hem de kracht van de golven zien. Het jongetje kalmeerde spoedig. Ik voelde toen bewondering voor de intuïtie en liefdevolle handeling van deze man.
Dit is natuurlijk wat anders dan ‘therapeuten’ die er een lekker gevoel van krijgen om kinderen die het al moeilijk hebben, te overheersen.
Het hulpeloos zijn in een vreselijke situatie kan net zo traumatisch zijn als de situatie zelf. Iedere hulpverlener hoort dat te snappen.
Dan denk je alles gezien te hebben…
Bekijken op eigen risico!


